In de update van de eisen voor BLK 1 ster van afgelopen mei viel op dat de speenleeftijd gemiddeld 28 dagen moet zijn met een ondergrens van 25 dagen. Dit was respectievelijk 26 en 23 dagen.

Om te bepalen of er aan dit voorschrift voldaan wordt, zal gekeken worden naar de lengte van de zoogperiode op een uitdraai van technische cijfers en een steekproef van zeugenkaarten om te kijken of biggen ten minste 25 dagen oud zijn op de dag dat ze gespeend worden.

In de praktijk zien we dat veel zeugenbedrijven een gemiddelde zoogperiode hebben van ca 26 tot 27 dagen, een logisch gevolg van de normale cyclusduur van de gemiddelde zeug. Een klein rekenvoorbeeld:

De meeste zeugen hebben een cyclusduur van 21 weken, ofwel 147 dagen. Hiervan zijn de eerste 4 á 5 dagen het interval tussen spenen en dekken. Vervolgens een draagtijd van ca 115 tot 116 dagen. De resterende dagen is de lengte van de zoogperiode. Voor een zeug met een interval spenen dekken van 5 dagen en een draagtijd van 116 dagen, blijven er dus er 26 dagen zoogperi

ode over.

Om dit gemiddelde te verhogen naar 28 dagen, zullen er op veel bedrijven managementkeuzes gemaakt moeten worden. Ten eerste zal er gekeken moeten worden welke tomen onder de 25 dagen grens gespeend worden. Logischerwijs zullen deze tomen een groep later gespeend moeten worden. Bijvoorbeeld, op een bedrijf waar op maandag gespeend wordt, kunnen de biggen die in de werpweek op vrijdag of later geboren worden, nog niet gespeend worden. Vervolgens zijn er een aantal mogelijkheden om het gemiddelde op te hogen.

De meest robuuste methode is om te gaan spenen op 5 weken, dan zal de gemiddelde speenleeftijd met 7 dagen stijgen. Echter, dit heeft vaak forse impact op de bedrijfsvoering omdat de kraamhokken per cyclus ook een week langer in gebruik zijn, waardoor het aantal worpen op jaarbasis ca 17% zal (moeten) dalen. (Het aantal rondes per kraamhok zakt van 10,4 per jaar naar 8,7.)

Een andere mogelijkheid is om per cyclus van 21 weken de speendag 3 of 4 dagen op te schuiven, ook wel alternerend spenen genoemd. Hierdoor zal de gemiddelde zoogduur 3,5 dag toenemen. Bij deze strategie komen de zeugen korter voor het werpen in de kraamstal (ca 110 tot 111 dagen dracht ipv 107 dagen). Praktisch gezien wordt dan vaak gekozen voor de maandag en donderdag, dus eerst 21 weken op maandag spenen, vervolgens 21 weken op donderdag, waarna weer op maandag gespeend wordt.

Verder is het verstandig te kijken naar het moment van werpen van de eersteworps zeugen. Wanneer deze structureel gesynchroniseerd worden voor inzet, kan het verstandig zijn om deze dieren eerder dan de oudereworpszeugen te dekken zodat deze ook eerder werpen en daardoor dus een langere zoogperiode hebben.

Ook het gebruik van pleegzeugen heeft impact op de gemiddelde zoogperiode. Afhankelijk van de werkwijzen rondom het maken van pleegzeugen én het aantal pleegzeugen wat ingezet wordt, zal dit meer of minder invloed hebben.

 

Zoals beschreven zijn er meerdere manieren om te werken aan een langere zoogperiode. Daarom is er geen universeel advies te geven, maar is maatwerk per situatie nodig om te kijken óf én welke koerswijzigingen in het management nodig zijn. Op basis van een analyse van de huidige situatie is goed in te schatten welke maatregelen het best passend zijn voor uw bedrijf.